blog

Waarom Lakenvelders schilderen?

Begin jaren zeventig zag ik ze voor het eerst: de Lakenvelderkoeien. Ik wist nog niet dat ze zo heten. Ik was een jaar of acht en ik keek met verbazing, want wat ik daar zag waren koeien met een broekje en een hesje aan. En een witte buik ertussen. Dus noemde ik ze ‘Bikini-koeien’.

 

Die hoefden zich niet te schamen voor hun witte buik, daar in die groene weide. Terwijl ik me in het zwembad nauwelijks durfde te vertonen met mijn bikini aan, vanwege mijn witte buik.

 

Ben ik ze daarom ruim veertig jaar later gaan schilderen? Misschien, maar dan komt er wel een reden bij. Het ‘laken’ (die witte buik dus) kan namelijk allerlei mooie vlakverdelingen geven in een compositie op het schilderdoek. Van opzij zie je een breed wit laken, vanaf de voor- of achterkant zie je alleen een streep, of een soort cirkel zelfs.

 

Bovendien: als kudde staan ze bijna ritmisch in de wei. Je ziet allemaal zwarte, roodbonte en witte vlakjes, organisch neergedwarreld in het landschap.

 

Lakenvelders hebben ook karaktervolle koppen. Je kunt ze allerlei gevoelens toedichten. Maar dat geldt voor alle koeiensoorten. Ik denk dat mede daarom koeien een geliefd schilderthema zijn. Ze hebben ‘personality’.

 

Pas geleden hoorde ik dat Lakenvelders ook ‘mergpijpjes’ worden genoemd. Dat zijn rechthoekige cakejes, omhuld met wit marsepein en met donkere chocolade aan de uiteinden. Een grappige vergelijking, maar voor mij blijven het ‘bikinikoeien’.

Naar de schilderijen.

Lees meer »

Voor de kunstenaar Marina Abramovic geldt: aan het werk zijn = leven. In haar levensverhaal komen twee lijnen samen, die cultuurhistorisch relevant zijn.

Gisteren hebben we bij de Leesclub van Alles de autobiografie van Marina Abramovic besproken: Walk through Walls. Marina Abramovic (1946, Belgrado) is een wereldberoemde performancekunstenaar. Haar boek heb ik met diep medelijden en soms met afschuw gelezen.

Eerst die verschrikkelijke jeugd: geslagen worden en opgesloten in een donkere kelder. Dan haar rijzende ster; ze kerft er een op haar buik tijdens een performance in 1975. Dan volgt een eindeloze reeks performances waarin ze zichzelf vrijwel altijd op één of andere manier beschadigt, al was het maar door urenlang stil te zitten.

Ondertussen was het privé ook niet zo leuk. De relatie met haar eerste man, met wie ze ook samenwerkte, loopt stuk op verschil van artistiek inzicht. En vooral ook op verschil van artistieke inzèt. Voor Abramovic gaat het werk namelijk voor. Altijd.
Later vindt ze een nieuwe liefde, maar uiteindelijk verlaat hij haar voor een jonger exemplaar. Hoe cliché wil je het hebben?! 


Gelukkig is het publiek er nog. Het publiek geeft om haar, maar geeft zij ook om haar publiek? Ze krijgt in 1997 een grote prijs in Venetië (de Gouden Leeuw voor Beste Kunstenaar van de Biënnale), maar ze kijkt minachtend neer op het handenschudden en de recepties die erbij horen.

Voor Abramovic geldt: aan het werk zijn = leven. En in dat leven komen twee lijnen samen, die cultuurhistorisch relevant zijn.

De eerste lijn is een maatschappelijke: de vrouwenemancipatie. Als vrouwelijke kunstenaar word je in onze cultuur tegenwoordig niet meer met de nek aangekeken, voor gek verklaard, of zelfs in een gesticht gestopt, zoals de beeldhouwster Camille Claudel een eeuw geleden in Frankrijk nog overkwam. Vandaag de dag kun je in relatieve vrijheid je werk doen. Je krijgt er soms zelfs subsidie voor, zoals Abramovic in de jaren zeventig in Nederland.

Kortom: er is een nieuw verworven maatschappelijke vrijheid voor vrouwelijke kunstenaars, die Marina Abramovic met beide handen heeft aangegrepen. Ze heeft hem benut en ze heeft hem groter gemaakt, door de grenzen ervan nadrukkelijk te verkennen via veel naakt, veel geweld, maar ook veel nieuwe vormgeving in de perfomancekunst. Dat moeten we haar nageven.

Maar wat dreef haar om zo ver te gaan? Om steeds haar eigen grenzen te overschrijden? Het antwoord daarop is te vinden langs een tweede lijn: die van de vraag naar de invloed van je jeugd op je persoonlijkheid en je leven. Hoe werkt die en hoe ver gaat die eigenlijk?

De zelfbeschadiging en de bovenmenselijke inspanningen in haar performances doen mij sterk denken aan de afschuwelijke jeugd die ze in haar boek beschrijft. Ze heeft als kind geleerd hoe ze met zichzelf om moet gaan. De slaag die het kind krijgt van haar moeder, wordt later de zelfbeschadiging van de volwassene als kunstenaar.

De vele vormen van urenlange, extreme zelfbeheersing in de performances doen mij denken aan het kind dat werd opgesloten in de donkere kelder; dat kind wordt gedwongen zich te beheersen en te volharden tot ze er hopelijk ooit weer uit mag. Met andere woorden: de bewegingsvrijheid die haar als kind regelmatig werd ontnomen, ontneemt ze zichzelf als volwassene in haar werk. En daar krijgt ze veel aandacht voor! Maar het lijkt de enige vorm van aandacht te zijn, die ze echt begrijpt. En dat vind ik tragisch.

Ik geef toe: dit is allemaal psychologie van de koude grond, maar we zijn tegenwoordig allemaal semi-psychologen. De lifestyle-goeroes en de diepte-interviewers voorop. Onze jeugd beschouwen we als zeer bepalend voor ons latere leven. Dat is een common sense gedachte in onze cultuur. En die onderschrijf ik.

In het levensverhaal van Marina Abramovic komen dus twee lijnen samen. De eerste: zij maakt als kunstenaar gretig gebruik van de groeiende maatschappelijke vrijheid voor vrouwelijke kunstenaars. En ze vergroot die vrijheid zelfs, door de grenzen ervan te verkennen. De tweede lijn: haar persoonlijke verhaal kun je zien als een sterke casus ter ondersteuning van het breedgedragen idee dat je jeugd van invloed is op je persoonlijkheid en je latere leven.

Eén en ander maakt Marina Abramovic tot een tragische, maar vooral ook cultuurhistorisch relevante figuur.

Lees meer »

Er was eens een dorp en dat heette Alem. Daar stonden vier Lakenvelderkoeien en een Lakenvelderkalfje in de wei. Op een dag kwamen er mensen uit de stad om naar de dieren te kijken.

Er kwam ook een fotograaf langs, uit een andere stad. Hij maakte mooie foto’s voor de krant. Heel idyllisch: de boer, de boerin en hun twee kindjes stonden voor het hek. De Lakenvelders stonden erachter. Zo had ieder z’n plaats in dit arcadisch universumpje.

 

De boer en boerin waren eigenlijk hobbydierhouders. Dus ze hoefden niet van de opbrengst van de dieren te leven. De boer ging gezellig met de stadse mensen de wei in om de koeien van dichtbij te bekijken. En hij praatte wat over de dieren. Lakenvelders zijn heel zeldzaam. Dat wisten de stadse mensen ook. Maar dat Lakenvelders zeldzamer zijn dan tijgers, dat wisten ze nog niet.

 

Er zijn nog maar zo’n 2500 tot 3000 Lakenvelders, vertelde de boer. Dat is inderdaad heel weinig, zelfs vergeleken met de schaars geworden tijger. Daarvan zijn er wereldwijd namelijk nog zo’n 3900, volgens het Wereld Natuur Fonds. Het WNF is een campagne gestart om het aantal tijgers te verdubbelen. Zo’n machtige beschermer heeft de Lakenvelder helaas (nog) niet.

 

Maar gelukkig hebben de Nederlandse Lakenvelders wel familie in het buitenland. Bijvoorbeeld de Dutch Belted Cow in De Verenigde Staten. En in Duitsland en Zwitserland heb je het Allgäuer Gurtenvieh. Die lijken allemaal op elkaar. Ze hebben allemaal dat witte ‘laken’ om hun buik. Als het laken niet recht zit, of als er een hap uit is, mag het dier niet in het stamboek. Dat is een vorm van buitensluiten waar de koeien gelukkig geen weet van hebben.

 

Lakenvelders zijn vleeskoeien, maar ze worden vaak ook voor de sier gehouden, zoals bij de hobbyboer in Alem. Hij dacht erover om een koe te laten slachten en het vlees te verkopen, maar hij kon het niet over z’n hart verkrijgen. Dat kon ik me indenken. Als stadsmeisje en vegetariër heb ik het ook niet zo op slachten.

 

Zo kwamen stad en land die dag een beetje bij elkaar.

 

Thuis gekomen selecteerde ik mijn foto’s om ze te gaan gebruiken bij het schilderen van de Lakenvelders. Toen zag ik het pas goed: dat kalfje in de wei leek sprekend op het kalfje dat ik al weken aan het schilderen was! Wonderlijk: eerst heb je het schilderij, dan pas het model. Als dat de omgekeerde wereld niet is! Geen sprookje hoor. Het is echt waar.

 

N.B. Alem bestaat echt. Het boerengezin ook. Het was 2 september Open Dag van de Lakenvelder.

 

 

Lees meer »

Binnen vijf weken heb ik twee toespraken gehouden. Dat is echt heel vaak voor mijn doen. Het was bij de opening en bij het slot van mijn expositie in de Adventskerk in Zoetermeer. De speech aan het slot was tijdens een kerkdienst. Ik was ervoor uitgenodigd door de dominee, omdat hij zich geraakt had gevoeld door mijn openingsverhaal. Ik vond het bijzonder: een predikant vroeg mij hem te helpen om zijn boodschap over te brengen. Hieronder mijn verhaal, in licht bewerkte vorm.

 

Wat ik doe, heet ook wel: ‘werken naar de natuur’.

Het is figuratief.

Je kunt het herkennen.

Als een zee, bijvoorbeeld.

 

Maar zijn het ook zeeën?

Of zíen we een zee?

 

Het zijn in elk geval geen één op één representaties van de werkelijkheid.
Het zijn interpretaties van de werkelijkheid.

 

Daarom vind ik het grappig dat mensen vaak vragen: waar is het?

Om naar waarheid te kunnen antwoorden, moet ik dan meestal zeggen: nergens.

Het is vaak wel geïnspireerd op iets wat ik ergens heb gezien.

Maar zelden ligt mijn werk zo dicht bij de werkelijkheid om ons heen, dat u erheen kunt gaan en kunt zeggen:

“O ja, ik zie het; dit is het punt waar ze dat uitzicht heeft geschilderd.”

 

Wat u ziet op mijn schilderijen is dus meestal niet ergens op een vaste plek terug te vinden in de wereld om ons heen.

Het is wél herkenbaar.

Niet abstract.

Dus ‘naar de natuur’, maar niet precies zoáls de natuur.

 

Het schilderij heeft zijn eigen werkelijkheid.

En – omdat ik het gemaakt heb – heeft het ook mijn werkelijkheid.

Maar zodra u ernaar kijkt, krijgt het juist úw werkelijkheid.

Daarvan wil ik graag een grappig voorbeeld geven.

 

(zie foto bij begin van deze blog)

U ziet een Toscaans dorpje bij nacht.

De maan schijnt.

Boven een kerk, zo te zien.

Er is een straatje, met een muur erlangs, met een pijnboom erachter.

 

In de muur zit een deurtje met een lantaarn erboven.

Zo had ik dat echt gezien in dat dorpje in Toscane.

En ik had het ook zo geschilderd.

Maar toen een vriendin het schilderij zag, zei ze spontaan:

“daar staat een monnik!”

 

Ik zie hem nu ook, die monnik.

Ziet u hem ook?


Zo loopt u ook kans iets te zien in een kunstwerk, wat de kunstenaar er niet ingelegd heeft.

Maar dat is juist mooi.

Vertrouw op uw eigen waarneming.

 

Toch wilt u – als u naar kunst kijkt – waarschijnlijk ook graag weten wat de kunstenaar ermee heeft bedoeld.

 

Daar wil ik graag iets over zeggen aan de hand van het thema van deze expositie:

 

‘Met het oog op de horizon’.

Ik vraag het mezelf ook af: waarom altijd die horizon?

Wat wil ik daar eigenlijk mee zeggen?

 

Het muntje viel ineens, toen ik het Duitse woord ‘Fernweh’ hoorde.

Dat is verwant aan het woord ‘heimwee’, wat verlangen naar (t)huis betekent; verlangen naar de vertrouwde, bekende, veilige plek waar je woont.

 

Maar ‘Fernweh’ is nu juist het verlangen naar iets in de verte.

Het verlangen naar het onbekende.

En het Duitse ‘Weh’ betekent ‘pijn’, waarmee meteen duidelijk wordt dat dit verlangen naar de verte niet alleen maar plezierig is.

 

Toch lokt de verte.

In mijn werk wordt die verte gesymboliseerd door de horizon.

 

De horizon geeft bij uitstek de grens aan tussen het bekende en het onbekende.

Het bekende zit ervóór; je kunt het zien.

Het onbekende zit erachter; je ziet het niet.

 

Maar we vinden het spannend, we worden nieuwsgierig, we willen ernaartoe.

 

Die lokroep van de horizon – en van alles wat daarachter onzichtbaar is – klinkt vaak door in datgene wat wél zichtbaar is: dat wat zich vóór de horizon bevindt.

Dat wat zichtbaar is, vertelt ons mogelijk iets over wat er verderop nog meer te zien is.

 

Maar misschien ook niet.

Misschien ziet het er verderop wel heel anders uit.

Dat weten we nu juist niet.

Dat maakt nieuwsgierig.

 

Zo kijk ik vaak naar de horizon als ik op vakantie ben.

Misschien herkent u dat wel: steeds verder willen wandelen of fietsen uit nieuwsgierigheid.

Dat vakantiegevoel is fijn.

Maar als we de horizon als symbool voor het levenseinde zien (dan heet hij vaak ‘de einder’), lokt-ie waarschijnlijk een stuk minder.
Maar ook dan kunnen we ons afvragen wat erachter zit.

 

Hebben de dingen die zich vóór de horizon bevinden

  • dus in het leven –

iets te maken met wat we daarachter

  • dus na de dood –

zullen aantreffen?

 

We weten het niet.

Wat achter de horizon is, hebben we niet ‘in beeld’.
Op het schilderij niet.

En in het leven ook niet.

 

Misschien vind u het interessant of de moeite waard om met deze overwegingen naar de schilderijen te kijken.

Of misschien kijkt u liever op uw eigen manier. Dat is natuurlijk ook prima.

 

Dank voor uw aandacht.

 

 

 

 

 

 

 

Lees meer »

Mafkees

Mafkees

3 apr. 2017

“Kunstenaar. Het is een vreemd beroep."


Een flard uit de presentatie van Armando's nieuwe dichtbundel Liever niet:

Armando: “Kunstenaar. Het is een vreemd beroep. Je maakt iets, maar daar is helemaal geen behoefte aan.”
De interviewster sust: “Als een kunstwerk er eenmaal is, kan er wel degelijk behoefte aan zijn.”
“Maar dat weet je niet,” zegt Armando koppig. "Niet vooraf."

Het is zondag 2 april 2017 en we zitten op de sfeervolle zolder van de Veldkeuken, naast Museum Oud Amelisweerd (MOA). Daar zijn wisselende tentoonstellingen van Armando, vaak in combinatie met werk van andere kunstenaars.

Armando is bekend als schrijver, schilder, beeldhouwer, acteur en muzikant. Mijn bewondering gaat vooral uit naar – hoe kan het anders – zijn schilderwerk. En ik wilde hem wel eens in levende lijve zien. Nu het nog kan. Hij is 88. “Misschien ben ik onsterfelijk, maar dat weten we nog niet,” zei hij onlangs in een interview. Voorlopig ziet hij er nog vitaal uit.

De nieuwe dichtbundel draagt de toepasselijke titel Liever niet. Armando wil namelijk liever geen gedichten schrijven, maar het gebeurt gewoon. Hij zegt over zijn kunst: “Het dient zich aan. Het wil gemaakt worden. Door wie? Door deze mafkees.”

Het publiek grinnikt. Hij bespeelt ons en hangt de sul uit. Hij heeft zogenaamd niks te zeggen over zijn eigen tijd.

Tegelijk meent hij het ook echt, want zijn werk neemt een loopje met hem. Het staat onverwacht voor zijn neus. En dan moet hij aan de slag. Dat ergert hem wel eens: “Wéér zo’n stom gedicht!” Daar lacht het publiek om. Dus doet hij er graag nog een schepje bovenop: “Ik heb wel wat anders te doen!”

Hij roerde gisteren een paar essentiële punten van het kunstenaarschap aan. Om te beginnen: als kunstenaar weet je nooit wanneer ‘iets zich aandient’, of wanneer je inspiratie krijgt. Bovendien: als ‘iets gemaakt wil worden’ en je gaat dus aan het werk, weet je zelden wat het resultaat zal zijn. En ondertussen: niemand zit erop te wachten! Een vreemd beroep. Dat kan ik beamen.

Waarom dóe je het dan? Je kunt het ook laten. Gewoon een baan zoeken. Of een bloemenwinkeltje beginnen. Het punt is: dan ben je daaraan gebonden. Als er dán wordt aangeklopt door ‘iets wat gemaakt wil worden’, moet je niet thuis geven. Dan moet je doen alsof je het niet hoort, want je hebt immers geen tijd!

Ik heb het geklop lang genoeg genegeerd. Vroeger. Af en toe deed ik hooguit de deur op een kier. Het begon echt onbeleefd te worden! Bovendien werd het benauwd, daar achter die gesloten deur.

Zodoende begrijp ik Armando wel.

 

Op de foto: het schilderij Seestück van Armando, momenteel te zien in Museum Oud Amelisweerd.

Lees meer »